BLOG 4: JOOST VAN DEN VONDEL: vileine hekeldichter naast groots dramaturg

Een blog is geen biografie, en in het geval van Joost van den Vondel is het schrijven ervan een onmogelijke opgave. In veel opzichten is Vondel onze grootste dichter ooit, niet nipt maar met afstand. Daar werkte zijn hoge leeftijd van ruim 91 jaar (Keulen17 november 1587 – Amsterdam5 februari 1679) natuurlijk aan mee, maar een blik op zijn wikipedia-pagina1 maakt al direct een overweldigende indruk.

Portret van Joost van den Vondel

Vooral zijn toneelproductie is alleen met termen in overtreffende trap te beschrijven.

Eerlijkheidshalve moet daaraan worden toegevoegd dat het grootste deel van dit werk nauwelijks meer wordt opgevoerd of zelfs gelezen. Toch zijn er ook een aantal werken die in ons collectief geheugen onuitwisbaar zijn opgeslagen, zoals ‘Gysbreght van Aemstel2 (1637) of Lucifer 3 (1654).

Ook het religieuze karakter (lees: katholieke) in de huidige geseculariseerde tijd naast de toenemende ontlezing zijn factoren die daar ongetwijfeld debet aan zijn.

Verder werkt de moeilijk toegankelijke zeventiende-eeuwse taal ook niet mee om onze rijke culturele erfenis levend te houden.

Daarom richt ik me in deze blogserie voor wat betreft het Vondel-aandeel vooral op zijn kritische houding in een zeer bewogen tijdsgewricht.

VONDEL IN HET NAUW DOOR ‘PALAMEDES’

Piet Calis schrijft in de inleiding van zijn biografie over Vondel 4over de aanleiding voor het schrijven van misschien wel zijn meest kritische treurspel ‘Palamedes’ door W.A.P. Smit ‘actueel hekel-drama’ 5 genoemd. Albert Koenraedts Burgh, lid van het Amsterdamse stadsbestuur, had in een gesprek met Vondel over het tragische lot van Oldenbarnevelt, voorgesteld: ‘Maak er een treurspel van.’ Vondel had geantwoord t Is nog geen tijd. Burgh’s suggestie Maak het op een andere naam.’

Vondel vond geschikte stof in het tweede boek van de Aeneis van Vergilius, waarin de Griekse held Palamedes ten onrechte van omkoping wordt beschuldigd. Ook in Samuel Coster’s Iphigeneia zorgde rond 1620 de romanfiguur Palamedes voor veel opschudding. De overeenkomst tussen de lotgevallen van Oldenbarnevelt en Palamedes was, aldus Calis, inderdaad opvallend. Calis wijst op een kleurrijke anekdote door Brandt beschreven; ‘hoe zijn vrouw de poeet (d.i. Vondel) in zijne bezigheid met Palamedes, aan de trap die naar zijn kamer ging kwam roepen: Man, de prins leit en sterft” – want die tijding kwam toen uit Den Haghe – en dat hij haar tot antwoord toeriep: “Laat hem sterven. Ik belui hem vast.”

Maurits overleed en ongeveer een half jaar later verscheen Palamedes oft Vermoorde onnozelheid in boekvorm (1625), een stuk dat ‘meer dan welk ander drama in de zeventiende eeuw de vaderlandse tongen in beroering bracht.’ 6

Titelblad van eerste uitgave van Palamedes van Vondel

De gelijkenis van Oldenbarnevelts laatste woorden en die van Palamedes in Vondels stuk kon niemand ontgaan:

Oldenbarnevelt: ‘Mannen gelooft niet dat ik een landverrader ben, ik hebbe oprecht en vroom gehandeld, als een goed patriot, ende die zal ik sterven.’

Palamedes (bij Vondel): ‘‘k Heb, volgens mijnen plicht, Gants vroom en ongeveinsd en opentlijk gehandeld. En sterf een oprecht Griek, gelijk ik heb gewandeld.’

Bij verschijnen waren de toespelingen op de actuele politiek zo duidelijk dat daar eigenlijk geen misverstand over kon bestaan. Wel zeer verrassend was dat op de titelpagina de naam van Vondel was afgedrukt. De reactie op deze provocatie volgde vrijwel onmiddellijk: 6 november 1625 namen de Gecommitteerde Raden van Zuid-Holland een resolutie aan waarin op actie tegen Vondels boek werd aangedrongen. Het duurde niet lang of het boek werd opgehaald en hij (d.i. Vondel) werd aangeklaagd. Vondel duikt onder. ‘Na enkele dagen werd uiteindelijk besloten Vondel niet aan de Haagse autoriteiten uit te leveren, maar hem in Amsterdam te berechten, waardoor het levensgevaar voor de dichter geweken was.’

Uiteindelijk kwam Vondel er af met een boete, die door een predikant werd omschreven als ‘een geselinge te wezen met een vossenstaart..’. wij zouden zeggen: met een sisser. Pas rond 1663 kwam het (onder hevig protest van enkele predikanten) tot een eerste opvoering van dit toneelstuk. De eindconclusie van Calis luidt: ‘De redelijk goede afloop van deze affaire zal hem duidelijk gemaakt hebben dat hij in de jaren erna wel het een en ander riskeren kon zonder onmiddellijk gevangenisstraf dreigde.’ 7

Zijn naam als hekeldichter was hiermee definitief gevestigd.

In een eerdere blog 8 heb ik overigens al aandacht besteed aan VONDEL door te onderzoeken wie de werkelijke auteur is van een gedicht onder de naam Moortpasquil, een gedicht waarin een moordaanslag op Prins Maurits wordt aangekondigd. Al in die blog schets ik de historische achtergrond van de religieus/politieke spanningen in een zich met vallen en opstaan van Spanje loswrikkende gemeenschap, waaruit zich onze republiek ontwikkelde.

JOOST VAN DEN VONDEL: HET HEKELDICHT ALS LITERAIR WAPEN

De stelling dat Vondel bij uitstek onze hekeldichter aller tijden is, staat zonder overdrijving nauwelijks ter discussie. Door de jaren heen heeft men geprobeerd alle hekeldichten wel of niet van Vondel in een uitgave bij elkaar te brengen.

Al in 1646 werd een aantal gedichten van Vondel in een uitgave bijeengebracht. Het ging toen nog om gedichten waar de uitgever G. Brandt 9 over schreef:

‘Ze werden na eerst in verschillende gelegenheden meest zonder naam te zijn verschenen, door eenige kunstbeminnaars bijeengebracht en uitgegeven te Rotterdam in 1646, tot groot verdriet van den dichter, die sommige nog niet voor de zijne dorst erkennen en er ettelijke, die van anderen gedicht en zijnen naam onwaardig waren, aan vond toegevoegd.

Samenvattend over de diverse drukken kunnen we zeggen dat de hier gebruikte uitgave van J. Bergsma 10 berust op de Amersfoortsche druk van 1736 met de tekst van 1682.

Niet alle gedichten zijn nauwkeurig te dateren, waardoor de chronologie van deze bonte verzameling gedichten niet is vast te stellen.

Ook de omvang is uiterst divers, al heb ik in de naam waaronder ik een gedicht heb aangeduid, ook opgenomen uit hoeveel versregels dit gedicht bestaat; zo betekent 78VON-HEKEL-225 dat het om het 78e gedicht gaat uit de Vondel-uitgave van de Hekeldichten door Bergsma en dat het gedicht bestaat uit 225 versregels.

In een blog is het onmogelijk de inhoud van deze hekeldichten enig recht te doen, daarvoor verwijs ik naar het al genoemde baanbrekende werk van J. Bergsma. 11

Ruwweg omspannen de gedichten de periode van ongeveer 1620 tot en met 1635, een periode in Vondels leven vóór zijn zeer opvallende overgang tot het katholieke geloof (1641); ook moest het zwaartepunt in zijn dramatisch oeuvre nog komen. Een ding is duidelijk, het zijn vooral strijdbare jaren, later is hij milder of terughoudender geworden (vanwege eventuele gevolgen van zijn dichtarbeid, denk daarbij aan de reactie van de overheid op zijn ‘Palamedes’).

Spotprent bij hekeldicht Hollandtsche transformatie (1618)

De rubriek hekeldichten opent met het gedicht Weeghschael van Hollandt, of de Hollandtsche Transformatie’, waarin de beide religieuze kampen Arminianen (Armijn) en Gomaristen (Gommer) worden ‘gewogen’. Gommers ‘staele kling’ (geweld) wint en Armijn (wijsheid, boeken) delft het onderspit.

Laatste 5 versregels van ‘Hollandtsche Transformatie’

 Zeer uiteenlopend zijn de onderwerpen van deze gedichten, waarbij er aan een aantal onderwerpen meerdere gedichten zijn besteed. Opvallende aandachtsgebieden zijn bijvoorbeeld de dramatische ontwikkelingen rond Oldenbarnevelt. Bijvoorbeeld ‘Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlants’, waarin hij op ontroerende wijze eerherstel zoekt voor een bejaarde staatsman (‘vrijdoms stut en Hollands Vader, [die onder ’t lastig landspak steende/ Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!]’) door diens wandelstok (‘stock en stut’) persoonlijk aan te spreken. (‘toen hij [op dat wreed schavot] voor ’t bloedig zwaard most knielen.’) Vooral de laatste vijf regels getuigen van inlevingsvermogen en Vondels bewondering voor Oldenbarnevelts standvastigheid.

Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

De dichter kan het niet nalaten de verantwoordelijken voor deze moord op de korrel te nemen:

‘En hoe Geweld het Recht dorf buigen,

Tot smaad der onderdrukte Steên.’

Ook Hugo de Groot is hoofdpersoon in meerdere gedichten van Vondels hand, naast andere politieke of kerkelijke personen en toestanden.

Verder maakte hij zich druk om  een aantal Amsterdamse personen of gebeurtenissen, denk aan zijn weerzin tegen dominees als Smout, Triglandus en Cloppenburg. Het heeft ons prachtige gedichten opgeleverd als onder andere Rommelpot van ’t Hanekot, Een otter in ’t Bolwerck, Harpoen, Geuzenvesper, enz.

Ten slotte hekelde hij personen en toestanden in Leiden, denk bijvoorbeeld aan het gedicht Haec Libertatis Ergo.

Voor een overzicht van de 87 gedichten in deze uitgave van Bergsma verwijs ik naar een bijlage 12 waarin ik de namen en aanduidingen die ik in mijn onderzoek heb gebruikt, vermeld.

PRIJSVRAAG ZET TEGENSTELLING OP SCHERP

Tenslotte wil ik nog aandacht besteden aan de opmerkelijke prijsvraag die de Academie in 1630 organiseerde. Pas veel later werd duidelijk dat het Vondel was die de tekst voor het gedicht had geschreven.

Eind maart 1630 stapte de vermaarde toneelspeler Thomas de Keyser als Apollo gekleed het toneel op in Amsterdam en declameerde het volgende gedicht:

Gedicht waarmee de Academie de Prijsvraag (1630) opende.

Later verscheen het ook in druk. Er kwamen overal vandaan antwoorden op deze prijsvraag.

 Het stadsbestuur besloot al op 12 april om zowel de vraag als de antwoorden te verbieden.

Deze literaire prijsvraag draaide dus om 8 vragen en ging gepaard met een heldere opdracht: het moest zo kort en bondig mogelijk en het moest het klaerst in deze duisternis’.

Een zilveren roemer was de hoofdprijs en Anna Roemer Visscher, de dochter van de bekende Amsterdamse dichter, in dit gedicht als Pallas aangeduid, zou met een diamanten naald een portret van Frederik Hendrik op de beker graveren.

De prijsvraag werd uitgeschreven door de Academie, wat ook blijkt uit de ondertekening van het gedicht met YVER, de zinspreuk van deze kamer.

Het werd een groot succes: zeker vijftig inzendingen kwamen er binnen, zeer verschillend van toon, van prijzend tot vernietigend negatief; allerlei oude veten kwamen weer aan het licht, men ging elkaar in de platste en vuilste taal te lijf.

De Academie werd een Kakademie ofte Guytschool genoemd en Vondel, Coster uitgemaakt voor ‘opeters ende dronckaerts, liefhebbers van de volle kannen.’

Vondel kreeg verder een stortvloed van schimpscheuten te verduren, van ‘Camer-Godt Apollo ende sijn Camer-Knecht Joost Vondelens’ via Vuyle-Palamedes Vader’ tot ’Vragher vande Vondelinghen’.

Een ondertekenaar eindigde met Elk zijn waarom’ en opende met een antwoord op de eerste vraag:

‘De beste tong die stemmen smeede,

Zong gode loff, den menschen vreede.’

Dat was Maria Tesselschade Roemers, de andere dochter van Roemer Visscher. Deze regels herinneren aan de lofzang van de engelen boven de grot van Bethehem.

Een antwoord, mogelijk op naam van Trigland, bevatte Vondels anagram of letteromzetting:

SOTJE VOL VAN SONDEN = JOOST VAN DEN VONDEL

Anagram van Vondel in één van de antwoorden op de Prijsvraag

Vondel reageert hierop met het anagram Ick pai Priaep,’ omdat hij dacht dat Jacob Cats (die als bijnaam Japick Priaep had) bovenstaand anagram in zijn antwoord op de prijsvraag had verwerkt.

Uit dit alles wordt één ding zonneklaar: niet alleen op sociale media in de huidige tijd borrelt een stortvloed van negativiteit op, dat was lang geleden al het geval maar dan in het kader van een prijsvraag die tegenstellingen opriep.

ZIJN ALLE HEKELDICHTEN (ED. BERGSMA) VAN VONDEL?

De slotvraag maakt een wezenlijk onderdeel uit van deze serie blogs. Vooralsnog waren we er stilzwijgend van uitgegaan dat alle hekeldichten die in de editie van J. Bergsma (1920) zijn opgenomen ook echt door Vondel zijn geschreven. De tumultueuze tijd in aanmerking genomen, waarbij Vondel na zijn Palamedes-uitgave echt op zijn tellen moest passen, de duidelijke partijkeuze die hij in die tijd maakt voor de remonstranten, de voorkeur die er toentertijd was om niet altijd het achterste van je tong te laten zien in religieuze zaken, het risico dat hij liep met betrekking tot zijn broodwinning, waren allemaal factoren die het zeer aannemelijk maken dat een auteur als Joost van den Vondel als publiek figuur niet alles wat hij schreef daadwerkelijk met zijn eigen naam ondertekende.

In het onderzoek richt ik me op alle hekeldichten uit deze editie, ongeacht aantal versregels of mogelijke ontstaansdatum.

Een overzicht van al deze hekeldichten met naam en aanduiding staat in een bijlage 13 in de noten.

De identificatiemethode die ik hierbij gebruik is gebaseerd op het programma DeltaCalc 2019 Worksheet. Deze aanpak is in door mij geperfectioneerd en uitgebreid besproken en getest in mijn publicatie BREDERO stylometrische (2020) 14. De werkwijze om tot een correcte auteurstoewijzing te komen, wordt hierin stap voor stap toegelicht en een verwijzing naar een ander deel van deze website kan hier volstaan.

De verzameling primaire werken bestaat uit een mix van basiswerken waarover in ieder geval geen twijfel bestaat wie de auteur is geweest. De Vondel-werken binnen deze groep bestaat uit:

Overzicht BASISWERKEN VONDEL

De eerste test (TST 108) vergelijkt alle hekeldichten alleen met het basiswerk van VONDEL.

Overzicht Werken TST 108 VON-basis vs VON-hekel

Na dit overzicht van de vergeleken werken, volgt het resultaat van de test. Deze laat aan duidelijkheid niets te wensen over: alle hekeldichten vallen binnen het werk van Vondel.

Resultaat TST 108 VON-basis vs VON-hekel

De tweede test (TST 113) vergelijkt alle hekeldichten met het basiswerk van drie auteurs BREDERO, COSTER en VONDEL. Deze test is bedoeld om de hekeldichten te onderscheiden van andere auteurs, in dit geval Bredero en Coster, maar wel de werken te blijven positioneren binnen het werk van Vondel.

Overzicht Werken TST 113 BR-COST-VON-basis vs VON-hekel

Ook hier volgt na het overzicht van de vergeleken werken, het resultaat van de test. En dit resultaat laat aan duidelijkheid niets over: de hekeldichten zijn geschreven door Vondel en niet door Bredero of Coster.

Resultaat TST 113 BR-COST-VON-basis vs VON-hekel

De EINDCONCLUSIE is duidelijk: alle hekeldichten zijn het werk van JOOST VAN DEN VONDEL.

  1. Zie Wikipedia onder het lemma JOOST VAN DEN VONDEL.
  2. Zie Wikipedia onder het lemma Gysbreght van Aemstel (1637)
  3. Zie Wikipedia onder het lemma Lucifer (toneelstuk) - Wikipedia (1654).
  4. Zie Piet Calis ‘Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679)’, pag. 12 e.v. J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam (2008).
  5. Zie W.A.P. Smit ‘Van Pascha tot Noah. Een verkenning van Vondels drama’s naar continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur (deel 1: Het Pascha-Leeuwendalers), pag. 26. Zwolle,1956.
  6. Zie Piet Calis ‘Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679)’, pag. 14. J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam (2008).
  7. Zie Piet Calis ‘Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679)’, pag. 27. J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam (2008).
  8. Zie VONDEL door factchecking van roerige tijden na 400 jaar ontmaskerd?
  9.  Zie G. Brandt en Vollenhove: Franeker uitgave van Vondels Poëzy. J. v. Vondels Poezy ofte Verscheide Gedichten. Het tweede deel. Tot Schiedam gedruckt voor den Autheur 1647.
  10. Zie J. van Vondel, Hekeldichten. Met de aanteekeningen der ‘Amersfoortsche’ uitgave. Uitgegeven en toegelicht door Dr. J. Bergsma. W.J. Thieme & cie, Zutphen z.j. [ca. 1920].
  11. Zie J. van Vondel, Hekeldichten. Met de aanteekeningen der ‘Amersfoortsche’ uitgave. Uitgegeven en toegelicht door Dr. J. Bergsma. W.J. Thieme & cie, Zutphen z.j. [ca. 1920].
  12. Zie Bijlage ‘HEKELDICHTEN VONDEL (Editie J. Bergsma 1920)’.

    Overzicht Vondel Hekeldichten (Editie J. Bergsma 1920)

  13. Zie OVERZICHT VONDEL (Editie J. Bergsma 1920) in een eerdere noot.
  14. Deze publicatie is op de website BREDERO IN BEELD te vinden onder het kopje PUBLICATIES

Plaats een reactie